De Connectivity (Connectiviteit)-functie wordt gebruikt om de configuratie van de router te bekijken en te wijzigen. De informatie die kan worden gewijzigd, is de netwerknaam en het wachtwoord, internetinstellingen, lokale netwerkinstellingen en meer.
Toegang tot hulpmiddel Connectiviteit
1. Log in op de webinterface van de router.
2. In het menu Router Settings (Routerinstellingen), klik op Connectivity (Connectiviteit).
3. U kunt nu de functie Connectivity (Connectiviteit) naar uw voorkeur configureren .
De Connectivity (Connectiviteit) functie beschikt over zes tabbladen:
- Basis (Basis)
- Internet Settings (Internetinstellingen)
- Local Network (Lokaal netwerk)
- Advanced Routing (Geavanceerde routing)
- VLAN
- Administration (Beheer)
In de tab Basic (Basis) kunt u de routerinstellingen bekijken en wijzigen.
1. Netwerknaam en wachtwoord
Functie: Hoofd-WiFi: Hier kunt u de naam (SSID) en het wachtwoord van uw hoofd-WiFi-netwerk bekijken en bewerken.
Wanneer moet u dit wijzigen: Hoofd-WiFi: Wijzig dit om uw netwerk aan te passen of de beveiliging bij te werken.
2. Wachtwoord van de router
Functie: In dit gedeelte kunt u het wachtwoord van de router wijzigen. Dit wachtwoord is nodig om toegang te krijgen tot de instellingen van de router en tot functies zoals gasttoegang en ouderlijk toezicht.
Wanneer moet u dit wijzigen: Wijzig dit onmiddellijk tijdens de installatie om onbevoegde wijzigingen aan de instellingen te voorkomen. Volg deze instructies om het wachtwoord van de router te wijzigen.
3. Firmware-update voor de router
Functie: Zorgt ervoor dat de interne software van uw router automatisch of handmatig wordt bijgewerkt.
Wanneer moet u dit wijzigen: Laat het vakje Automatic (Automatisch) aangevinkt. Gebruik handmatig uploaden alleen als de technische ondersteuning u dat opdraagt.
4. Tijdzone
Functie: U kunt de huidige tijdzone voor uw regio instellen en de tijd aanpassen aan wijzigingen in de zomertijd.
Wanneer moet u dit wijzigen: Pas dit aan als de geplande taken van uw router op de verkeerde tijdstippen worden uitgevoerd.
5. Poortlampjes
Functie: Hiermee kunt u de poortlampjes van de router in- of uitschakelen.
Wanneer moet u dit wijzigen: Misschien wilt u ze UIT zetten als de lampjes zichtbaar zijn en u erdoor wordt afgeleid.

Hiermee kunt u de router zo configureren dat deze werkt met uw internetverbinding. Uw router wordt geleverd met de meest gangbare instellingen en een aantal instellingen wordt tijdens de installatie al geconfigureerd.
Het is mogelijk dat u deze instellingen nooit hoeft te wijzigen.
BELANGRIJK: Als u deze instellingen toch moet wijzigen, neem dan contact op met uw internetprovider (ISP) voor hulp.
Er zijn instellingen beschikbaar voor IPv4 en IPv6.
1. Internetinstellingen IPv4
Type internetverbinding
Selecteer het type internetverbinding dat uw ISP biedt in het vervolgkeuzemenu.
De verschillende verbindingstypen zijn als volgt:
- Automatic Configuration - DHCP (Automatische configuratie - DHCP): Selecteer deze optie als uw internetprovider IP-adressen dynamisch toewijst, wat betekent dat u elke keer dat u uw computer opstart een ander IP-adres krijgt.
- Static IP (Vast IP-adres): Selecteer deze optie als u elke keer dat u verbinding maakt met internet hetzelfde IP-adres moet gebruiken. Voer in dat geval de gegevens in die u van uw internetprovider hebt ontvangen: uw IP-adres, subnetmasker, standaardgateway en DNS-instellingen. Volg deze instructies om te leren hoe u uw router met een statisch IP-adres kunt configureren.
- PPPoE: Selecteer Point-to-Point Protocol over Ethernet (PPPoE) als uw internetprovider deze methode gebruikt om een internetverbinding tot stand te brengen. Met PPPoE kunnen internetproviders accounts beheren via een gebruikersnaam en wachtwoord.
- PPTP: Selecteer deze optie om het Point-to-Point Tunneling Protocol (PPTP) te gebruiken. Hiermee wordt een veilige gegevensoverdracht mogelijk gemaakt van een externe cliënt naar een interne bedrijfsserver door een virtueel privénetwerk (VPN) tot stand te brengen via op TCP/IP gebaseerde datanetwerken.
- L2TP: Selecteer deze optie om het Layer 2 Tunneling Protocol (L2TP) te gebruiken. Dit protocol combineert Layer 2 Forwarding (L2F) en het PPTP-protocol van Microsoft.
- Bridge Mode (Brugmodus): Selecteer deze optie om de brugmodus te gebruiken als uw internetprovider dit vereist. U kunt ervoor kiezen om automatisch een IP-adres te verkrijgen of de gegevens voor uw internetadres, subnetmasker, standaardgateway en DNS-vermeldingen handmatig in te voeren. Deze gegevens worden verstrekt door uw internetprovider.
OPMERKING: Sommige Linksys Smart WiFi-routers ondersteunen Wireless Repeater- en Wireless Bridge-modi.
Optionele instellingen
Dit zijn optionele instellingen die u kunt configureren op uw router.
- Domain Name (Domeinnaam): Hier wordt de domeinnaam van de router weergegeven. Sommige internetproviders, meestal kabelproviders, hebben deze nodig ter identificatie. Mogelijk moet u bij uw internetprovider navragen of uw breedbandinternetverbinding is geconfigureerd met een domeinnaam.
- MTU – Maximum Transmission Unit (MTU): Hiermee wordt de maximale pakketgrootte bepaald die is toegestaan voor internetverkeer. Selecteer Manual (Handmatig) als u de maximale pakketgrootte handmatig wilt invoeren. Laat de router de beste MTU voor uw internetverbinding kiezen door de standaardinstelling Auto (Automatisch) te behouden.
- MAC Address Clone (MAC-adres klonen): Biedt de mogelijkheid om hetzelfde MAC-adres voor uw computer of router te gebruiken en geen nieuw adres van uw internetprovider aan te vragen.
IPv6 is de "nieuwe generatie" van het Internet Protocol (IP) die is voorgeschreven door overheden. Deze vervangt IPv4, het internetprotocol dat momenteel overal ter wereld wordt gebruikt. IPv6 ondersteunt een veel grotere adresruimte en maakt het gebruik van nieuwe soorten toepassingen voor communicatie en samenwerking mogelijk.
BELANGRIJK: Laat deze instelling op IPv6 Automatic (Automatisch) staan, tenzij uw internetprovider u specifieke, aangepaste tunnelconfiguraties heeft verstrekt.
Type internetverbinding
Selecteer het internetverbindtijpe van uw ISP-aanbieder uit het vervolgkeuzemenu.
De beschikbare types zijn:
- IPv6 Automatic (IPv6-Automatisch): Selecteer deze optie om native IPv6 te gebruiken.
- DUID: De Device User Identification (Identificatie apparaatgebruiker) die wordt toegewezen door de router.
- 6rd Tunnel (6de-tunnel): Selecteer deze optie om de 6rd-tunnel te gebruiken.
- Prefix: – Het prefixadres dat wordt gebruikt voor de tunnel die u heeft ontvangen van uw internetprovider.
- Prefix length (Lengte prefix): De lengte van het prefix dat wordt gebruikt voor de tunnel.
- Border relay (Rand-relay): Het adres van de rand-relay dat wordt gebruikt voor de tunnel.
- IPv4 mask length (Lengte IPv4-masker): De lengte van het IPv4-adresmasker dat wordt gebruikt voor de tunnel.
Optionele instellingen
Dit zijn optionele instellingen die u kunt configureren op uw router.
- Domain Name (Domeinnaam): Hier wordt de domeinnaam van de router weergegeven. Voor sommige internetproviders, meestal kabelinternetproviders, is deze vereist ter identificatie. U dient wellicht bij uw internetprovider na te vragen of uw breedbandinternetdienst is geconfigureerd met een domeinnaam.
- MTU (Maximum Transmission Unit): geeft de maximale pakketgrootte aan die via internet kan worden verzonden. Selecteer Manual (Handmatig) als u de grootst mogelijke pakketgrootte handmatig wilt invoeren. Gebruik de standaardwaarde Auto (Automatisch) als u wilt dat de beste MTU voor uw internetverbinding door de router wordt geselecteerd.
- MAC Address Clone (MAC-adres klonen): Biedt de optie om hetzelfde MAC-adres te gebruiken voor uw computer of router en geen nieuw adres te krijgen van uw ISP. Deze functie is alleen beschikbaar als u lokaal verbonden bent met uw netwerk.

Met de instellingen voor Local Network (Lokaal netwerk) kunt u de router configureren voor gebruik van uw internetverbinding.
1. Routergegevens
Host name (Hostnaam): Dit is de naam van de router.
IP Address (IP-adres): Dit is het IP-adres van de router.
SNELLE TIP: Het is mogelijk dat u dit adres kunt wijzigen, maar dan moet u de apparaten die momenteel met uw router zijn verbonden opnieuw verbinden. Volg deze instructies om te leren hoe u het IP-adres van de router via de webinterface kunt wijzigen.
Subnet Mask (Subnetmasker): Dit is het subnetmasker van de router. Dit wordt gebruikt om een netwerk op te splitsen in subnetwerken, zodat informatie correct naar uw computers en apparaten kan worden geleid. Uw ISP moet u de juiste instelling voor het subnetmasker verstrekken die u hier moet opgeven.
2. DHCP-server
Dynamic Host Configuration Protocol (DHCP) is standaard ingeschakeld op uw router. DHCP wijst IP-adressen toe aan computers en apparaten op uw netwerk indien nodig.
- Start IP address (Begin IP-adres): Dit is het eerste IP-adres dat wordt toegewezen aan het eerste apparaat dat verbinding maakt met het netwerk.
- Maximum number of users (Maximum aantal gebruikers): Dit is het totaal aantal apparaten dat verbinding met uw router kan maken. Deze waarde kan niet groter zijn dan 253 en de standaardwaarde is 50.
- IP address range (IP-adresbereik): De beschikbare IP-adressen die kunnen worden gebruikt op het netwerk.
- Client lease time (Leasetijd van cliënt): Geeft aan hoe lang (in minuten) een netwerkgebruiker met de router verbonden kan zijn met het huidige IP-adres. Wanneer deze periode is verlopen, krijgt de gebruiker automatisch een nieuw IP-adres toegewezen, of wordt de lease vernieuwd.
- Static DNS 1 - 3 (Statische DNS 1-3):Domain Name System (DNS) is de manier waarop namen van domeinen of websites op internet worden omgezet in internetadressen of URL's die u kunt openen. Van uw internetprovider ontvangt u het IP-adres van ten minste één DNS-server. U kunt er maximaal drie invoeren.
- WINS: Met Windows Internet Naming Services (WINS) wordt de interactie van elke computer met internet beheerd. Als u een WINS-server gebruikt, voert u hier het IP-adres van die server in. In alle andere gevallen laat u dit veld leeg.
- DHCP Reservations (DHCP-reserveringen): Hier kunt u een uniek, vast IP-adres toewijzen aan een specifiek apparaat in uw netwerk. Dit is handig als u wilt dat uw apparaat telkens hetzelfde IP-adres heeft wanneer het verbinding maakt met het netwerk. Volg deze instructies om te leren hoe u DHCP-reserveringen kunt configureren.

- NAT: Met Network Address Translation (NAT) kan de router pakketten aanpassen, zodat meerdere apparaten één enkel IP-adres kunnen delen. Selecteer deze optie om NAT in te schakelen.
- Dynamic Routing (Dynamische routering): De functie voor dynamische routering kan worden gebruikt om automatisch in te spelen op fysieke wijzigingen in de netwerktopologie. De router maakt gebruik van een dynamisch RIP-protocol. Deze bepaalt de route die de netwerkpakketten volgen op basis van het kleinste aantal hops tussen de bron en de bestemming. Het RIP-protocol verzendt regelmatig routeringsinformatie naar andere routers in het netwerk.
- Statische Routing: Gebruik deze optie om een bepaald IP-adres, subnetmasker en gatewayadres toe te wijzen aan een bepaald apparaat. Als u een route wilt toevoegen, klikt u op Add static route (Statische route toevoegen), voert u de apparaatnaam en de voor het apparaat te gebruiken gegevens in en klikt u op Save (Opslaan). Klik op Edit (Bewerken) als u de gegevens voor een apparaat wilt wijzigen.

OPMERKING: Alleen de nieuwste Linksys Smart Wi-Fi-routers ondersteunen deze functie.
Om een internetverbinding op te zetten, vereisen sommige ISP's dat Virtual LAN (VLAN) op uw router is ingeschakeld.Volg deze instructies om te zien hoe u de VLAN-instellingen kunt configureren.

1. Toegang voor lokaal beheer
- HTTP/HTTPS: Gebruik alleen HTTP of selecteer HTTPS om SSL (Secure Sockets Layer) te gebruiken voor een betere beveiliging door middel van codering van verzonden gegevens. Zowel HTTP als HTTPS zijn standaard geselecteerd.
- Access via Wireless (Draadloze toegang): Selecteer deze optie om draadloze toegang tot uw netwerk mogelijk te maken.
2. UPnP
Met Universal Plug and Play (UPnP) kunnen apparaten die met een netwerk zijn verbonden elkaar detecteren en automatisch werkconfiguraties instellen. Voorbeelden van UPnP-apparaten zijn webcams, gameconsoles en VoIP-apparaten. UPnP is standaard ingeschakeld.
Geef aan of gebruikers routerinstellingen kunnen wijzigen of uw lokale internetverbinding kunnen uitschakelen bij gebruik van UPnP.
3. Application Layer Gateway
Selecteer dit om SIP-pakketten (Session Initiation Protocol) toe te staan. Dit wordt door sommige VoIP-serviceproviders gebruikt om door de firewall van uw router te gaan.
4. Express Forwarding
Het inschakelen van de Express Forwarding-functie kan de routerprestaties verhogen, omdat het protocollen omziet die extra overhead toevoegen aan de router om te verwerken, zoals packetniveau-inspecties, sorteren, filteren en queuing.
5. AllJoyn meldingen
AllJoyn® is een open, veilige technologie die het mogelijk maakt om AllJoyn-apparaten op het netwerk te ontdekken, aan te sluiten en rechtstreeks met elkaar te communiceren.
Als u de notificaties inschakelt, stuurt uw router notificaties naar AllJoyn-geschikte apparaten op uw netwerk wanneer uw apparaat is aangesloten. De mogelijkheid om de notificaties te ontvangen, en het notificatieprogramma hangt af van de configuratie en softwarecapaciteit van elk apparaat.
Als u de notificaties inschakelt, stuurt uw router notificaties naar AllJoyn-geschikte apparaten op uw netwerk wanneer uw apparaat is aangesloten. De mogelijkheid om de notificaties te ontvangen, en het notificatieprogramma hangt af van de configuratie en softwarecapaciteit van elk apparaat.
OPMERKING: Deze functie is alleen beschikbaar op het model Linksys EA7500.

